![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
Auteur:
P.J.M. Ernste
Kruidenlaan 163
7006 SW Doetinchem
e-mailadres: fysio.ernste@Xs4all.nl
Titel:
Beïnvloedt een succesvolle manuele therapeutische interventie ten behoeve van aspecifieke lage rugklachten tevens bekkenbodemdysfunctieklachten ?
Key words:
Evidence-based practise, aspecifieke lage rugklachten, bekkenbodem-
dysfunctieklachten, manueeltherapeutische interventie.
Doelgroep:
De te bereiken doelgroep voor deze casestudie zijn manueel therapeuten en bekkenfysiotherapeuten.
Het onderwerp van deze casestudie betreft het onderzoek en behandelen van een patiënt met aspecifieke lage rugklachten en bekkenbodemdysfunctieklachten.
Middels succesvolle manueeltherapeutische interventie is er sprake van een klinisch relevant verminderen van aspecifieke lage rugklachten. De bekkenbodemdysfunctieklachten verminderen tegelijkertijd ook klinisch relevant na de manueeltherapeutische interventie bij beschreven patiënt.
Kunnen bekkenbodemdysfunctieklachten in positieve zin beïnvloed worden door het succesvol behandelen van de aspecifieke lage rugklachten middels manueeltherapeutische interventie.
Methode
Manipulaties T.L.O., L5-S1, sacro-iliacale gewricht en actieve stabiliteitstraining lumbale- en bekkenregio.
Gemeten middels QBPDS en BQ. gemeten middels U.K.L. en intravaginale EMG-meting.
Resultaten
Klinisch relevant verschil gemeten ten aanzien van lumbale klachten:
Klinisch relevant verschil gemeten ten aanzien van bekkenbodemdysfunctieklachten:
Conclusie
In deze casus blijkt een - met behulp van vragenlijsten aantoonbaar - adequate manueeltherapeutische interventie ten aanzien van aspecifieke lage rugklachten. Tevens is een positief meetbaar effect te zien ten aanzien van bekkenbodemdysfunctieklachten.
Inleiding:
In de praktijk blijkt een deel van het patiëntenbestand met aspecifieke lage rugklachten tevens bekkenbodemdysfunctieklachten te ervaren. Deze patiëntencategorie wordt zowel door de manueel therapeut als door de bekkenfysiotherapeut gezien c.q. behandeld.
Een adequate manueel therapeutische interventie ten aanzien van de aspecifieke lage rugklachten kan tevens leiden tot een positief effect ten aanzien van de bekkenbodemdysfunctieklachten (bekkenfysiotherapeutische behandeling (nog) niet gestart).
De relevantie van dit probleem:
De koppeling tussen bekkenbodemdysfunctieklachten en aspecifieke lage rug- en bekkenklachten is aangetoond bij vrouwen met zwangerschapsgerelateerde lage rug- en bekkenklachten (1). De vraag is of dit ook geldt bij niet zwangere patiënten ?
Lumbale Segmentale Instabiliteit behoort tot de groep aspecifieke lage rugklachten.
In de literatuur (2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11) wordt duidelijk beschreven dat een belangrijke rol is weggelegd is voor de m.transversus abdominis en de mm.multifidi met betrekking tot specifiek lumbale segmentale stabiliteit. Daarnaast wordt er een relatie aangegeven tussen m. transversus abdominis en mm. multifidi enerzijds en bekkenbodemmusculatuur anderzijds: minder efficient aanspannen van de m. transversus abdominis en mm. multifidi wordt gecompenseerd door een verhoogde activiteit van de bekkenbodemmusculatuur.
Relevantie cijfermatig gezien:
Een miljoen Nederlanders (circa een op de tien) heeft last van ongewild urine- of ontlastingsverlies.
Circa 2,4 miljoen Nederlanders is bekend met chronische lage rugklachten (12).
Werkhypothese bij dit probleem:
Uitgangspunt bij deze casus vormt het disablement-proces, een biopsychosociaal model (13): we hebben hier te maken met chronische klachten waarbij geen directe relatie bestaat tussen mogelijke weefselschade en bestaande klachten. Er is wel een relatie tussen stoornissen en beperkingen in activiteiten en participaties welke in het RPS-formulier weergegeven zal worden (het RPS-formulier is bedoeld als denkraam om de verschillende relaties te leggen).
Bij de diagnostiek wordt niet gestart met testen op functiestoornissen, maar begonnen met het meten van beperkingen in activiteiten en participatie aan de hand van vragenlijsten en wordt getracht de hulpvraag van de patient helder te krijgen.
Ten aanzien van de hulpvraag: wat wil je bereiken met de therapie ?

Figuur 1: Welke beperkingen ondervindt de patient ten gevolge van de rugklachten. De grijze vlakken geven de keuzes aan. (14)
Uitgangspunt is hierbij de evidence-based benadering (onderstaand schema fig. 2)
Figuur 2 : Klinisch redeneren: interactie tussen MT en patient met als doel te komen tot een beslissing (decision); vervolgens nagaan of hier voldoende bewijs (external evidence) voor te vinden
De vraagstelling luidt:
Kunnen bekkenbodemdysfunctieklachten in positieve zin beïnvloed worden door het succesvol behandelen van de aspecifieke lage rugklachten middels manueeltherapeutische interventie.
Het antwoord op deze klinische vraag c.q. beslissing is gelegen in onderstaand diagram (fig. 3).
Dit drieluik beschrijft aspecten van klinisch redeneren; deze drie componenten komen in dit case-report aan bod om een aanzet te geven/richting te geven aan een mogelijk antwoord (15).

Figuur 3: Componenten die de basis vormen van beslissingen in de dagelijkse praktijk.
MATERIAAL EN METHODE:
Casus:
Deze casus gaat over een 46-jarige vrouw die zich in de praktijk meldde met een drietal klachten:
Klachten bestaan al ruim een jaar. De patiënt is naar de praktijk verwezen voor een gecombineerde manueeltherapeutische/bekkenfysiotherapeutisch screening en, indien geïndiceerd, behandeling.
Informed consent:
De patiënt is voorafgaand aan het onderzoek en de behandeling geïnformeerd over onder andere:
Onderzoeksdoelstelling:
Het in kaart brengen van de gezondheidstoestand van de patiënt in relatie tot het bewegend (dys)functioneren van lumbale en bekkenregio met betrekking tot de aspecifieke lage rugklachten (manueeltherapeutisch doel) en het (dys)functioneren van de bekkenbodem betreffende met name hypertonie en/of verminderde contractie bekkenbodemmusculatuur (bekkenfysiotherapeutisch doel) in relatie tot de hulpvraag. Tevens bevat de onderzoeksdoelstelling het in kaart brengen van persoonlijke en/of omgevingsfactoren die belemmerend werken op normale beloop van herstel.
De hulpvraag van de patiënt is als volgt:
Hierbij wordt het RPS-formulier gebruikt (fig. 4)
Dit moet antwoord geven op de vraag of de patient op de juiste plaats is en of na aanvullend onderzoek - met name anamnese, lichamelijk onderzoek en het gebruik van specifieke meetinstrumenten - behandelbare grootheden voor manuele therapie en of bekkenfysiotherapie aanwezig zijn (is er een behandelindicatie).
Tevens worden persoonlijke en omgevingsfactoren in beeld gebracht, die belangrijk zijn als risicofactoren voor het beloop (onderste balk RPS-formulier fig. 4).
Bij de anamnese wordt onder andere getoetst of er mogelijke contra-indicaties en rode vlaggen voor een manueeltherapeutische en/of bekkenfysiotherapeutische behandeling aanwezig zijn.
Anamnese:
Patiënt is 46 jaar, gehuwd en heeft twee kinderen van vier en zes jaar.
Patiënt heeft sinds 2 à 3 jaar last van urineverlies. De klachten zijn te duiden als een aandrangs- incontinentie (zie mictielijst) (16) . De patiënt klaagt over dyspareunie (pijn bij gemeenschap). Tevens geeft de patiënt pijn rechts in de onderbuik en rond het rechter sacroiliacaal gewricht aan.
Sinds een half jaar bestaan de laag lumbale rugklachten uitstralend naar het rechter been tot in de kuit. De klachten zijn geleidelijk ontstaan, de patiënt kan haar werk niet uitvoeren ten gevolge van deze klachten, zij is werkzaam in de zorg en zij heeft eerder periodes van rugklachten doorgemaakt.
Bij de neurologische screening, onder andere MRI, zijn geen andere bevindingen geconstateerd dan discusversmallingen op meerdere niveaus.
De patiënt is verder bekend met spanningsklachten: o.a. bruxisme in het verleden.
Tractusanamnese: geen bevindingen, de patiënt is verder goed gezond.
Het bekkenbodemfysiotherapeutisch onderzoek (baseline en outcome-meting) is uitgevoerd door de in de praktijk aanwezig geregistreerde bekkenfysiotherapeut.
Het bekkenbodemfysiotherapeutisch onderzoek bestaat uit: inspectie, intravaginale palpatie van de levatorplaat en E.M.G. meting middels intravaginale myofeedback met behulp van de Myomed 932 van Enraf Nonius.
De bekkenbodemcontracties zijn beoordeeld op de wijze waarop ze worden uitgevoerd: rusttonus, contractiekracht, duur, ontspanning en coördinatie van de bekkenbodemmusculatuur, conform de standaardisatieterminologie van de I.C.S. (International Continence Society) (17)
Inspectie |
score |
Omschrijving |
Inwaartse beweging |
ja |
|
|
nee |
+ |
|
neerwaarts |
|
co-contractie zichtbaar |
ja |
+ buik/bil mm |
|
nee |
|
relaxatie |
ja |
|
|
nee |
+ |
perineale beweging tijdens hoesten |
ja |
|
|
nee |
+ |
|
inwaarts |
|
Perineale beweging tijdens belasting |
ja |
|
|
nee |
+ |
|
inwaarts |
|
Palpatie |
|
|
Pijn |
ja |
|
|
nee |
+ |
urethrale lift |
ja |
|
|
nee |
+ |
levator sluiting |
ja |
|
|
nee |
+ |
symmetrie links rechts |
ja |
+ |
|
nee |
|
symmetrie anterior posterior |
ja |
+ |
|
nee |
|
Vrijwillige contractie |
krachtig |
|
|
normaal |
|
|
zwak |
+ |
|
absent |
|
Duur |
≥10 |
1 sec |
fast twitch |
≥15 |
5 x |
vrijwillige relaxatie |
volledig |
|
|
deels |
|
|
afwezig |
+ |
Tijdens hoesten |
|
|
Niet vrijwillige contraction |
ja |
|
|
nee |
+ |
Beweging perineum |
ja |
|
|
nee |
|
incontinentie |
ja |
+ |
|
nee |
|
Tijdens belasting |
|
|
Relaxatie |
Ja |
|
|
nee |
+ |
Tabel 1: Uitkomsten bekkenbodemonderzoek volgens standaardisatieterminologie van de I.C.S. (International Continence Society)
Er is sprake van een duidelijk verminderde contractie en relaxatie, geen veerkracht te palperen. (18)(19) Meting middels myofeedback bevestigt dit: basisspanning rond 6 mV met een uitermate onrustige curve, aanspannen is tot maximaal 9 mV mogelijk. Er is geen dynamiek in de curve waar te nemen, coördinatie en sturing zijn moeizaam.
Intravaginale oppervlakte EMG-meting om de basisspanning van de bekkenbodemmusculatuur in kaart te brengen is een discriminatief meetinstrument: het meet de mate van contractiekracht en relaxatie, tevens is het bruikbaar om veranderingen in de tijd bijvoorbeeld voor en na een interventie (evaluatief) zichtbaar te maken. (20)(21)
Daarnaast is de Nederlandstalige Urogenitale Klachtenlijst (U.K.L.) van van der Vaart gebruikt om gestructureerd de klachten te differentiëren en vast te leggen. Hiermee wordt op 5 domeinen de urogenitale klachten geïnventariseerd namelijk: pijn, urine incontinentie, overactieve blaas, genitale prolaps en obstructie bij mictie (22).
Aan de hand van de in dit onderzoek verkregen gegevens luidt de bekkenfysiotherapeutische diagnose: bekkenbodemdysfunctieklachten op basis van overactieve bekkenbodemmusculatuur.(17)
Het manueeltherapeutisch onderzoek heeft bestaan uit het in kaart brengen van beperkingen in activiteiten en participaties middels de Quebec Back Pain Disability Scale (QBPDS) en de Bournemouth Questionnaire (BQ).
De QBPDS is een evaluatief ordinaal meetinstrument dat is bedoeld om de beperkingen in het activiteitenniveau vast te leggen en veranderingen in functioneren van de lage rug te meten. De betrouwbaarheid is goed, de validiteit en responsiviteit voldoende en de praktische hanteerbaarheid is goed.
De psychometrische eigenschappen van de QBPDS:
De totaalscore is de som van alle vragen. De eindscore varieert van 0 (geen beperking) tot 100 (volledig beperkt); een verandering van 15 punten wordt als een klinisch relevante verbetering of verslechtering aangeduid (23) (24).
Voor het in kaart brengen van mogelijk aanwezige psychosomatische factoren is gekozen voor de BQ. Deze vragenlijst brengt persoonlijke factoren, omgevingsfactoren en risicofactoren voor herstel in beeld.
De BQ is voor rugpatiënten een betrouwbaar, valide, responsief en multidimensionaal meetinstrument. De lijst scoort op zeven domeinen (rugpijnintensiteit, invloed op ADL, invloed op sociale activiteiten, mate van spanning, mate van depressiviteit, invloed van werk, aanwezige locus of control) op een tien punten schaal en is vlot afneembaar(25)
Psychometrische eigenschappen in getallen BQ:
Vervolgens is een manueeltherapeutisch onderzoek verricht naar aanwezige onderliggende functiestoornissen die in relatie met de door patient gepresenteerde
beperkingen zouden kunnen staan.
Onderzoek is, naar aanleiding van informatie verkregen uit anamnese, gericht op segmentale functie van sacro-iliacaal gewricht, thoraco-lumbale en lumbale wervelkolom en heupen, zowel arthrogeen (mobiliteit) als myogeen (stabiliteit), pijnprovocatietesten (van der Wurfftesten (26)).
Bevindingen onderzoek:
- heupen: geen bevindingen
- positief Gower’s Sign ( vorm van aberrant motion) in stand bij flexie/deflexie,
- positieve Prone instability test (27)
- positieve actieve straight leg raising gemodificeerd volgens Dianne Lee
(28)(29)
Samenvattend zijn de bevindingen:

Methode:
Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen, naast functionele beperkingen wordt op de BQ 43 punten gescoord, wordt er gekozen voor manuele therapie in ruime zin (psychosomatische factoren vormen onderdeel van de behandeling).
In eerste instantie is door middel van manueeltherapeutische interventies het probleem benaderd, te weten het opheffen van de arthrogene dysfuncties (patient is in periode 15/01 – 04/03/08 twee maal behandeld). Vervolgens is gestart met stabiliteitstraining van de lumbale- en bekkenregio.
Daarnaast heeft uitleg plaats gevonden betreffende het belang van gedoseerd bewegen. Ook is aangegeven dat ontspanning een belangrijke bijdrage levert aan het herstel. De patiënt is een oefen/bewegingsprogramma aangeboden en is begeleid bij de praktische uitvoering van de oefeningen.
Mogelijke ergonomische probleemsituaties tijdens het werk in de zorg zijn doorgesproken en adviezen ten aanzien van leefstijl zijn gegeven.
Uitvoering:
Dit oefenschema bestaat uit twee fases:
1e fase: het leren aanspannen van m.transversus abdominis (locale
musculatuur) vormt de basis.
2e fase: trainen globale musculatuur te weten de musculatuur die “aanhaakt”
op de fascia thoracolumbalis
Getraind wordt op drie levels:
level 1 = statisch, level 2 = dynamisch en in gesloten keten, level 3 = dynamisch en in open keten.
Daarna is opnieuw de mobiliteit TLO, L5-S1 rechts en het rechter SI-G beoordeeld en zijn de (in)stabiliteitstesten van de lumbale-bekkenregio herhaald.
Resultaten:
Bevindingen na 6 weken:
- Gower’s Sign is afwezig bij flexie/deflexie in stand.
- Prone instability test is negatief
Om het door de patiënt ervaren effect te toetsen is na de laatste behandeling aan de patiënt gevraagd de Global Perceived Effect (GPE) vragenlijst in te vullen. Dit is een goed te hanteren evaluatief instrument om het ervaren effect te meten teruggekoppeld aan de hulpvraag.
De GPE is een zeven-puntsschaal door de patiënt zelf in te vullen ( 1 = compleet hersteld, 2 = veel verbetering, 3 = geringe verbetering , 4 = geen verandering, 5 = licht verslechterd, 6 = fors verslechterd en 7 = slechter dan ooit).
Harde cijfers ontbreken ten aanzien van dit meetinstrument maar velen gebruiken deze maat als gouden standaard voor effectonderzoek (30).
Feinstein (1987) en Beurskens (1996) hebben hier onderzoek naar gedaan.
Patiënt vulde d.d. 04-03-08 een 2 in op deze schaal, met andere woorden veel verbetering.
Mobiliteit T.L.O |
hersteld |
Mobiliteit L5-S1 |
hersteld |
Thigh Thrust rechts |
negatief |
Federen rechter s.i.g. |
Pijnprovocatie negatief |
Gower’sign |
Afwezig |
Prone instability test |
negatief |
ASLR vlg. Lee |
1 |
Tabel 2: uitslag functietesten na behandeling
|
15-01-2008 |
04-03-2008 |
B.Q. |
43 |
27 |
Q.B.P.D.S. |
36 |
19 |
G.P.E. score |
|
2 |
U.K.L. |
5 |
7 |
Tabel 3: Uitslagen vragenlijsten meting 1 en meting 2
|
15-01-2008 |
04-03-2008 |
E.M.G. basisspanning |
6 |
4 |
E.M.G. maximale |
9 |
12 |
Mictiefrequentie/24 uur |
13 |
8 |
Mictievolumes per toiletgang |
50-400 ml |
250-400 ml |
Tabel 4: Uitslagen vaginale E.M.G. meting 1 en meting 2 en mictielijsten
Discussie
Kunnen bekkenbodemdysfunctieklachten in positieve zin beïnvloed worden door het succesvol behandelen van de aspecifieke lage rugklachten middels manueeltherapeutische interventie?
Het antwoord in deze casus is ja: de bekkenbodemfunctie is verbeterd.
De gedachte dat minder efficiënt aanspannen van de m.transversus abdominis en
mm. multifidi gecompenseerd wordt door verhoogde activiteit van de bekkenbodemmusculatuur speelt een cruciale rol in deze casus.
Het trainen van de m. transversus abdominus en mm multifidi is een belangrijk therapeutisch uitgangspunt.
Om de bekkenbodemfunctie in deze casus zo objectief mogelijk te bekijken worden de UKL en de intravaginale EMG-meting (outcome-waarden) herhaald. Er blijkt een klinisch relevante verbetering waar te nemen (Tabel 4 baseline en outcome-waarden). Op de UKL, gebruikt als inventarisatielijst van de klachten, scoort patient nu 7 (bij aanvang 5) op een schaal van 0 tot 10, waarbij 10 een optimale gezondheidstoestand is.
Daarnaast blijkt dat de mictiefrequentie is afgenomen van 13 naar 8 maal per etmaal. De mictievolumes zijn genormaliseerd (voorheen tussen 50 en 400 ml., nu tussen 250 en 400 ml.). Hieruit blijkt dat de bekkenbodemfunctie verbeterd is.
Wat is het resultaat van de behandeling op de lage rug klachten?
Klinische verschijnselen zijn duidelijk in positieve zin veranderd. Er zijn duidelijk zichtbare verschillen bij, na 6 weken, opnieuw ingevulde QBPDS en BQ (tabel 3). Hierbij valt op dat patiënt aanvankelijk 5 of hoger scoorde op BQ en na zes weken 5 of lager scoorde op alle domeinen. Dit zonder dat de uitkomsten van de BQ (baseline score van 43) het therapieplan bepaald hebben. Mogelijk dat gestarte therapeutische werkhervatting een reductie van angst en zorg omtrent werk heeft gegeven en een rol gespeeld heeft bij deze verbeterde BQ score.
Belangrijk positief, sterk punt wat uit deze casus naar voor komt is de mogelijk vruchtbare samenwerking tussen manueel therapeut en bekkenfysiotherapeut bij een bepaalde patiëntencategorie, waarbij de bekkenfysiotherapeut , als jong specialisme, zeer evidence based en meetbaar werkzaam is. Er ligt nog een groot werkterrein braak !
Het manueeltherapeutisch onderzoek naar bewegend dysfunctioneren wordt zo evidence based en meetbaar mogelijk uitgevoerd.
Bij dit casereport kunnen een aantal kritische kanttekeningen geplaatst worden:
Prediction rules van Hicks zijn goed toepasbaar in deze casus; deze hadden breder toegepast kunnen worden(27).
De keuze voor de QBPDS als meetinstrument om beperkingen in activiteiten vast leggen is niet geheel onomstreden met betrekking tot validiteit. Ten aanzien van de validiteit van de Nederlandse versie van de QBPDS worden lagere correlaties gevonden namelijk 0.60 tot 0.74. Ten aanzien van de responsiviteit van de Nederlandse versie van de QBPDS zijn geen gegevens beschikbaar. Nader onderzoek om een beter oordeel hierover te kunnen geven is gewenst.
In het recente proefschrift van Voorham – van der Zalm (18) worden enkele kritische kantekeningen geplaatst ten aanzien van de bij myofeedbackregistratie gebruikte elektrodes en de toegepaste elektrodeplaatsing. Deze zouden niet optimaal zijn. Ten aanzien van de vaginale palpatie zijn kanttekeningen te plaatsen betreffende de standaardisatie en betrouwbaarheid. (17)(19)
De gekozen manuele therapeutische interventie bestaat uit de combinatie manipulaties en specifieke oefentherapie; het is moeilijk te bepalen of alleen oefentherapie ook een zelfde effect zou kunnen hebben.
Stuge et al (10) komt tot de conclusie dat het toevoegen van specifieke stabilisatietraining aan een conventioneel fysiotherapieprogramma voordelen biedt boven de toepassing van alleen een conventioneel fysiotherapieprogramma
De therapietrouw, consequent en conscentieus oefenen is belangrijk, maar is tevens een moeilijk te beïnvloeden factor.
CONCLUSIE:
In deze casus lijkt een adequate manueeltherapeutische interventie ten aanzien van aspecifieke lage rugklachten aantoonbaar middels vragenlijsten. Tegelijkertijd is een positief meetbaar effect te zien betreffende de bekkenbodemdysfunctieklachten. Om hier in algemene zin een uitspraak over te kunnen en mogen doen zou een RCT moeten worden uitgevoerd om dit effect te toetsen in een grote populatie.
Het verdient aanbeveling om patiënten met aspecifieke lage rug- en bekkenklachten te behandelen binnen een setting waar men kan beschikken over de deskundigheid van zowel een manueeltherapeut als bekkenfysiotherapeut. De onderliggende gedachte is te komen tot een samenwerking tussen bovengenoemde beroepsgroepen waarbij men op de hoogte moet zijn van beider specifieke bekwaamheden.
Referenties/Literatuur:
Spine 2001; 26: E243-E248.
A clinical anatomical and biomechanical approach to “a-specific low back pain. Man.Ther. 1998; 3: E12-E20
Spine 2008 jun;17(6): E794-E819.
Spine 2004:29: E351-E359.
Soc. Sci Med. 1994 Jan; 38(1): E1-E14.
Of pelvic floor muscle function and dysfunction: report from the pelvic floor
Clinical assessment group of the international continence society.
Neurology and Urodynamics 2005; 24 E374-E380
Diagnostic investigation of the pelvic floor: A helpful tool in the appproach
in Patients with complaints of micturition, defecation and/or sexual
dysfunction. Proefschrift 6 februari 2008 universiteit Leiden.
pelvic Floor muscle function in continent an incontinent women.
Neurology an Urodynamics 2004; 23: E190-E197..
muscles during voluntary exercises. Neurourol Urodyn, 2001. 20: E31-E42.
21.Neumann P, Gill V. Pelvic floor and abdominal muscle interaction: EMG
activity and intra-abdominal pressure. Int. Urogynecol Jnl Pelvic Floor
Dysfunct, 2002. 13: E125-E132.
22.Vaart van der CH, Leeuw de RJ, Roovers JWPR, Heintz APM “Measuring
health related quality of life in women with urogenital dysfunction”.
Thesis University of Utrecht, 2001.
23.Koke AJA “Quebec Back Pain Disability Scale” (Ned. Tijdschrift
v.Fysiother. 2003 ; 113(4) : E88
women with severe pelvic girdle pain after pregnancy, a descriptive cohort
study” Spine 2008 Mar 1;33(5): E145-E51.
volume 22 – number 8 – oktober 1999: E503-E510.
SI-gewricht? Stimulus 2003-2 E172-E184.
27. Hicks GE, Julie PT, Fritz M , et al Preliminary t of a Clinical Prediction Rule
for Determining Which Patients With Low Back Pain Will Respond to a
Stabilization Exercise Program Arch Phys Rehabil vol 86 september 2005
E1753-E1762
28. Lee D, Vleeming A et al, Movements Stability & Low Back pain-The
essential role of the pelvis 2nd edn.
29. Lee D, 4e Interdisciplinary World Congress on Low Back and pelvic Pain
Montreal November 8-10, 2001
30. Pool JM, Ostelo WJG, Koke J et al “Comparison of the effectiveness of a
behavioural graded activity program and manual therapy in patients with
sub-acute neck pain: Design of a randomized clinical trial”
Manual Therapy july 2005;vol.11; issue 4 E297-E305